Open Brief aan de Heer Charles Michel, Eerste Minister van België

Meer dan 250 professionele organisaties, vormingsinstituten, zorgvoorzieningen, universitaire en hogeschooldocenten … schrijven plechtig aan de Eerste Minister Charles Michel opdat hij de stemming van de wet van Maggie De Block over de psychotherapie zou opschorten.

Pdf | De ondertekenaars van de open brief |Texte français


Open Brief aan de Heer Charles Michel, Eerste Minister van België

Meneer de Eerste Minister,

We zetten de stap om ons rechtstreeks tot u te richten omwille van een zeer simpele reden : u bent de enige persoon die, vanuit de plaats die u inneemt, nog bezwaar kan uiten ten aanzien van uw minister van volksgezondheid, Mevrouw Maggie De Block. Zij legde immers een wet met betrekking tot de psychotherapie ter stemming voor aan de volksvertegenwoordigers. Verschillenden onder ons, allen ondertekenaars van deze brief, hebben haar reeds onze verbijstering meegedeeld ten aanzien van haar onwrikbare wil om « de psychotherapie als een medische act te beschouwen » en aldus het beroep van psychotherapeut te schrappen.

Zonder in detail te treden in deze toch heel complexe materie willen we kort uw aandacht vestigen op de volgende vijf punten :

Dit wetsontwerp getuigt van een reducerende visie op de geestelijke gezondheidszorg.

Om haar project te rechtvaardigen refereert Mevrouw de Minister naar de Evidence Based Medicine (EBM). Deze visie is zeker op zijn plaats met betrekking tot het beheer en de rationalisatie van de medische zorg en zelfs van bepaalde medische disciplines, maar ze is totaal ontoereikend om het lijden in het veld van de geestelijke gezondheidszorg in rekening te brengen. Inderdaad, een adequate begeleiding van deze patiënten vereist dat de professionelen in staat zijn om voorbij dit model te gaan en hun handeling, zelfs de medische, te funderen op de geschiedenis van de patiënten en op het woord dat dit mogelijk maakt. In zijn advies geeft de Hoge Gezondheidsraad (HGR) zeer duidelijk de noodzaak aan van een « begeleiding, waarbij de wetenschappelijk gevalideerde gegevens (« evidence based ») vervolledigd worden met andere in het praktijkveld algemeen aanvaarde criteria (« practice based »), of ook met criteria vertrekkende vanuit de persoonlijke waarden van de patiënt/cliënt (« value based »).

Door deze complexiteit te reduceren zal het wetsontwerp de kwaliteit van de zorg naar beneden halen in plaats van verbeteren.

Dit wetsontwerp heft de psychotherapeutische stromingen, die nochtans de patiënten ten goede komen, op.

De onontbeerlijke complexiteit brengt psychotherapeuten ertoe om te werken volgens één van de vier door de HGR erkende stromingen : de psychoanalytische en psychodynamische, de gedragsmatig-cognitieve, de systeem- of gezinsbenadering, en tot slot de client-centered benadering. Deze waaier van psychotherapeutische stromingen komt de bevolking ten goede en laat een gezondheidszorg toe die op de meest adequate en gepersonaliseerde manier aangepast is aan elke patiënt. Het laat hem ook toe om van de ene benadering over te gaan naar een andere benadering naargelang zijn eigen evolutie, of deze van zijn familie.

We kunnen begrijpen dat deze verschillende eigenheden moeilijk te begrijpen zijn voor wie geen expert is. Maar dat ze weggewist zouden worden door het wetsontwerp lijkt ons onbegrijpelijk en nadelig voor de patiënten.

Dit wetsontwerp heft de onontbeerlijke specifieke vorming op.

De noodzakelijke diversiteit van de psychotherapeutische stromingen impliceert een diversiteit van de specifieke vormingen. Om psychotherapeut te zijn, is het onontbeerlijk om een vorming te volgen die een eerdere basisopleiding vervolledigt. Deze vorming, vaak van minstens vier jaar, moet uiteraard eigen zijn aan de gekozen psychotherapeutische oriëntatie en kan slechts gegeven worden door ervaren praktijkmensen.

Het wetsontwerp heft deze noodzaak op en zal leiden tot groteske situaties waarbij gevestigde psychotherapeuten onder de bevoegdheid zouden moeten staan van iemand met een medisch diploma.

Het wetsontwerp houdt geen rekening met overleg in een veld dat nochtans de pluridisciplinariteit in zich draagt.

Het wetsontwerp van uw minister is opgesteld op een discrete, om niet te zeggen heimelijke manier. Enkel een deel van de professionelen lijkt gehoord te worden, terwijl de anderen telkens een gesloten deur op hun weg vonden.We kunnen als voorbeeld verwijzen naar het feit dat er geen enkel antwoord werd gegeven aan de 70 vertegenwoordigers van instellingen die zich, in februari, richtten tot de minister met een Memorandum voor een rigoureuze psychotherapie, bekommerd om de patiënten.

De wet van 2014 daarentegen is opgesteld met een bekommernis voor een concensus op alle niveaus. De wet was, op wetenschappelijk vlak, gebaseerd op het advies van de Hoge Gezondheidsraad en was het gevolg van een ruim overleg met de professionelen van de geestelijke gezondheidszorg. Deze wetgeving was ook het voorwerp van een politieke concensus, zowel op het niveau van de regering (Laurette Onkelinkx als minister van volksgezondheid) als het parlement (alle partijen behalve N-VA en VB ondertekenden de wet). Er vonden zelfs debatten plaats in de senaat, die de delicate punten ervan expliciteerden.

Hoe kan men begrijpen dat in een veld dat vereist dat men in staat is om rekening te houden met het anders zijn, met de diversiteit, en met de capaciteit om op een pluridisciplinaire manier te werken, dat het nieuwe wetsontwerp elke eis tot pluralisme verplettert ?

Een wet wordt niet toegepast.

Het regeerakkoord van 10 oktober 2014 vermeldt dat « de wet van 4 april 2014 die de beroepen van de geestelijke gezondheidszorg regelt en die het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 met betrekking tot de uitoefening van de gezondheidsberoepen aanpast, zonder verwijl zal uitgevoerd worden. » (blz. 65). Zeker, de toepassing van de wet omvat enkele moeilijkheden, maar die zijn van technisch-juridische aard, en niet fundamenteel. Het voorgestelde wetsontwerp staat daarentegen bloot aan fundamentele kritieken, komende van de Raad van State en waarop de minister niet antwoordt. Hoe kan men begrijpen dat een regering een wet niet toepast waartoe ze zich nochtans had geëngageerd, om haar te vervangen door een te bekritiseren wetgeving – en dit zowel op het vlak van de veiligheid van de patiënten als op het juridische vlak ?

Zelfs al zijn ze belangrijk en complex, toch zullen we niet ingaan op andere details. Met de lectuur van deze enkele punten begrijpt u vast waarom we ons tot u richten als laatste toevlucht, vermits uw minister van volksgezondheid zich doof toonde voor elk overleg. Wij vragen u dan ook met aandrang om te waken op het toepassen van de wet van 2014, zoals uw regeringsverklaring voorziet of, minstens, een werkelijk overleg te organiseren vooraleer over te gaan tot het voorstellen van een nieuw wetsontwerp.

Geloof ons, meneer de eerste minister, dat het ons geenszins gaat om corporatistische eisen, noch om het priviligiëren van een politieke familie, en nog minder om het discrediteren van een actie van de regering in deze moeilijke tijden. Het gaat veeleer om een maatschappelijk probleem, zelfs een kwestie van beschaving, maar bovenal gaat het om het respect voor de democratie.

We durven te hopen dat u daar, als lid van de liberale familie, gevoelig voor zal zijn, net zoals we durven te hopen dat u gevoelig zal zijn voor een pluraliteit van de praktijk.

U reeds bedankend voor de zorg waarmee u deze brief las, willen we u tot slot het grootste respect betuigen voor de manier waarop u één van de meest delicate taken uitvoert.

De ondertekenaars van de open brief
Texte français